Wanneer men vanuit Brugge centrum via de Ezelstraat naar de Ezelpoort gaat zal men, bijna op het einde van de straat, aan de westzijde of de linkerkant ervan, het Sint-Joosgodshuis zien staan.
De 15e eeuwse ingangsdeur heeft toegang tot het pand. In de tuin waarin nog een zeldzame, eeuwenoude, moerbessenboom groeit, staan de eigenlijke godshuisjes. De nog bestaande woningen werden in de 18e en 20ste eeuw opgetrokken.

De Sint-Jooskapel

Langs de straat bevinden zicht echter de oudste constructies. Links van de ingangsdeur de 15de eeuwse kapel (nu Orthodoxe kerk). Rechts van de ingangsdeur een waardevolle 15de eeuwse woning (nu de Oecumenische kapel). De middeleeuwse structuur van het huis werd terug tot waarde gebracht, wat dit gebouw dan ook zo uniek maakt.
Het is de Sint-Joosgilde die aan de basis lag van het godshuis. Die gilde bestond reeds voor 1287. Rond het midden va n de 14e eeuw moet waarschijnelijk met toelating van de parochiegeestelijken van Sint-Jacobs, het Sint-Jooshospice zijn opgericht. De instelling was oorspronkelijk bedoeld als passantenhuis, waar zwervers of daklozen voor beperkte duur onderdak vonden. De huisbewaarder zorgde voor de dagelijkse uitbating en later voor het in orde houden van de kapel. Het gildebestuur speelt, zeker tot het einde van de 15e eeuw, een belangerijke rol als beheerder. In de 16e eeuw zal de functie veranderen en wordt Sint-Joos omgevormd tot een godshuis met woonsten voor bejaarde mannen.

De Sint-Jooskapel binnenzicht toen nog "Oecumenische kapel"

Tot er een kapel werd ingericht in het passantenhuis, vieren de leden hun goddelijke diensten bij de karmelieten, waarmee ze later ook nog nauwe contacten zullen onderhouden.
De gildeleden oefenen elk verschillende beroepen uit. Een gilde was ook geen eigenlijk beroepsvereniging, maar was geschoeid op religieuze basis. De gilde had wel speciale banden met het officie van de beurdenaars of de manddragers. Telkens waren er een paar beurdenaars vertegenwoordigd in het bestuur, dat in 1440 samengesteld was uit een deken, negen zorgers en vier manddragers. Deze laatste stonden inkomsten af aan het huis, hielder er vergaderingen en woonden er goddelijke diensten bij.
Uit de lijsten vermeld in het register 178 (fonds Sint-Joos bewaard in het OCMW-archief Brugge), kan afgeleid worden, dat burgers uit vooraanstaande families deel uit maakten van de gilde, zowel mannen als vrouwen. In 1462 word Lodewijk van Gruuthuse als deken opgegeven.
Naast de normale gilde-activiteiten, zoals het bijwonen van kerkdiensten en de deelname aan de “royale” jaarlijkse maaltijd, is de Sint-Joosgilde, zoals reeds vermeld, verantwoordelijk voor het passantenhuis. De gilde laat in 1455 een zilveren zegelmatrijs maken.

INWIJDING SINT-JOOSKAPEL
Op 11 juli 1449 geeft Jan VII Chevrot, Bisschop van Doornik, de toelating aan Willem, Bisschop van Sarepta, om de Kapel te wijden. Dit gebeurt dan ook effectief op 20 juli. Of er voordien reeds een gebedsruimte bestond, is niet te achterhalen. Gedurende de tweede helft van de 15e eeuw moet de kapel dagelijks druk bezocht zijn geweest door de gildeleden, de buurtbewoners en de manddragers. Een kapelaan, vast verbonden aan de kapel kreeg jaarlijks een bedrag van 60 pond parisis en een kaproen. Hij droeg daarvoor dagelijks de mis op en waarschijnelijk ook de diensten voor de overledenen. Vanaf 1452 mochten er zondags en op bepaalde feestdagen sermoenen worden gehouden. In 1457 wordt meester Cornelis, karmeliet, hiervoor vergoed.
Kerkelijke feestdagen en vooral de eigen gildevieringen, bv. op het feest van Sint-Joos, van Katharina en Barbara, op het feest van de kerkwijding, de laatste zondag van juli en op de dag van de maaltijd, worden met bijzondere luister gecelebreerd. De kapel wordt extra voorzien van kaarsen en versierd met gras en takjes. Er wordt ook wierook gebrand. Zang en orgelspel weerklinkt, tijdens de plechtigheden, die aangekondigd worden met klokgelui. Op het feest van Sint-Joos worden er aan de gelovigen bidprentjes uitgedeeld. Elke zaterdagnamiddag en voor de feesten van Maria wordt er lof gezongen.

INRICHTING PASSANTENHUIS
Gedurende de 15e eeuw kent het godshuis nog een tweede belangrijke bouwperiode, waarbij de ingang en het gastenkwartier grondige wijzigingen ondergingen, die grotendeels te situeren vallen tussen 1454 en 1460. Op 6 mei 1454 leggen Symoen Locry en Jacob van Langhemaert “den eersten steen”. Het betreft het gebouw rechts van de ingangsdeur met een bakstenen gevel met een verdieping boven de gastenkamer. De gevel geeft nog zijn 15e eeuws uitzicht en toont drie traveeen, waarin de vensters van gelijkvloers en verdieping zijn gevat in nissen, bovenaan door lateien afgesloten.

De toegangspoort

De toegangspoort, een geprofileerde spitsboog, is, nog steeds volgens hetzelfde 15de eeuwse gilderegister, van houten maaswerk en van een deurnaald voorzien.Op de nog originele 15de eeuwse makelaar staat onder een baldakijntje het beeld van Sint-Joos, patroon van de stichting en beschermheilige van de pelgrims. De heilige draagt de pelgrimsmantel, hoed, reistas en staf. In de rechterhand houdt hij een open boek vast. Aan de linkerarm hangt een kroon, als symbool van de verwerping van het aardse koningschap. Een gedeelte van de linkerarm en pelgrimsstok zijn nieuw.
De gastenkamer bevond zich meer dan waarschijnlijk op het gelijkvloers en werd dus verlicht door drie ramen in twee gedeeld door monelen. Tussen 1458 en 1460 wordt de gastenkamer uitgerust met bedden en beddegoed, door verschillende personen bezorgd of aangekocht met een daarvoor geschonken bedrag. Of de kamer opgesmukt was met kunstwerken is niet geweten. Wel maakt Jan Hughezone, schilder, in 1460 een paneel “vanden helighe cruce”. Hiermee wordt waarschijnlijk een kruisiging bedoeld.
Vanaf 1460 konden de passanten hier dus zeker een waardig onderkomen vinden, meestal voor een nacht. Een maaltijd was er niet voorzien, maar ze konden bij de huisbewaarder terecht voor brandstof, drank en kaarsen, dit tegen betaling.
Tegen het einde van de 16de eeuw wordt het passantenhuis, dat de armen van de gilde van de manddragers reeds in de 15de eeuw wellicht een onderkomen gaf, omgevormd tot een bejaardentehuis.

VERDERE EVOLUTIE GODSHUIS
Het godshuis werd later overgenome, door een officiele instantie, de CBG, en sindsdien verbleven er een aantal bejaarde mannen in Sint-Joos. Het leven gaat er zoals altijd gewoon verder. Het reglement van 1666 wordt herdrukt. Een echtpaar staat in voor het onderhoud; allen krijgen verder een uitkering. Een priester, nu aalmoezenier geheten, wordt opnieuw benoemd. Doch op het einde van de 19de eeuw is de kapel stilaan tot stapelplaats vervallen. Meer en meer cellen raken onbewoond. Pas met de sanering van 1928 verbetert de situatie aanzienlijk. De veertien cellen werden tot vier huisjes verbouwd. Hun grote zolder is in afzonderlijke, kleine ruimten verdeeld. De woningen zullen vanaf nu tegen een lage prijs verhuurd worden aan bejaarde echtparen.
Tegen de grote woning wordt in 1928 een bijgebouwtje opgetrokken en van een binnenkoer voorzien. Hiervoor worden een cel en doorgang afgebroken. Het vroegere passantenhuis blijft tot portierswoning bestemd. Aan de kapel worden enkele herstellingswerken uitgevoerd.

De binnenkoer met de Godshuizen

In 1955 ontstaan aan de andere zijde van de binnentuin nog vijf huisjes. Twee jaar later krijgen de 15de eeuwse gebouwen een grondige gevelrestauratie. De traditionele witte kalklaag wordt weggenomen. De toegangspoort wordt grotendeels vernieuwd. Door de samenwerking tussen het stadsbestuur, het OCMW en de vzw Oecumene-Brugge is de kapel onlangs gerestaureerd en heeft na jarenlange leegstand haar eeuwenoude rol weer opgenomen : vanaf 1992 is de kapel opnieuw voor de eredienst opengesteld.
In de zomer van 1994 werd de grondige restauratie van de zes oudste huisjes voltooid. Ze werden tot vijf woningen omgevormd. De zeldzame binnenconstructie met bakstenen gewelven blijft als getuige van de 18de eeuwse bouw bewaard.