Sint-Joos is even buiten het stadscentrum gelegen aan de westzijde van de Ezelstraat, nabij de Ezelpoort.
De ruime kapel – vandaag de dag orthodoxe kerk en thuishaven van de Parochie van de HH. Konstantijn & Helena – en een waardevol woonhuis – nu de Oecumenische Kapel – zijn langs de straatkant opgetrokken. De toegangspoort middenin, met het beeldje van Sint-Joos op de deurnaald, geeft toegang tot het godshuis of Sint-Joosthospitaal, zoals het in de bronnen ook wordt genoemd. Deur, bidplaats en woning zijn 15de eeuws.

De godshuizen zelf zijn niet meer origineel. Ze zijn in de 18de en 20ste eeuw herbouwd. In de binnentuin groeit een oude moerbeiboom. Deze rustige plek in de binnenstad krijgt hierdoor een apart karakter.
Sint-Joos heeft een boeiende geschiedenis achter de rug. De dubbele bestemming van de fundatie valt af te leiden uit de interessante, vooral 15de eeuwse bewaarde architectuur en de zeldzame beschrijving van de middeleeuwse inboedel.

Het pasantenhuis

Het godshuis is oorspronkelijk opgericht als een passantenhuis. Hier vinden daklozen, zwervers, arme pelgrims voor een korte tijd een onderkomen. Zieken worden niet opgenomen. In 1352 schenken Jan Scalleballe, Jakob de mey en Lisebette, zijn vrouw, aan de Sint-Joosgilde, waarvan zij eveneens lid zijn, een huis – reeds hospitaal Sint-Joos genoemd – alsook negen aanpalende ‘cameren’ of eenkamerwoningen en een poort. Het passantenhuis, gelegen tegen de vesting bij de Ezelpoort, moet bij de overdracht nog niet lang hebben bestaan.
Tegen het einde van de 14de eeuw is dit gasthuis waarschijnlijk overgebracht naar de Ezelstraat. De gilde van Sint-Joos, die zogezegd als vanaf het ontstaan van de stichting het beheer van het passantenhuis waarneemt, bestaat reeds voor 1287. Tot aan de oprichting van een kapel in het Sint-Jooshuis verzorgen zij hun religieuze diensten in het karmelietenklooster nabij de Carmersbrug aan de andere kant van de stad. De gildeleden, zowel mannen als vrouwen, zijn vooraanstaande poorters en ambachtslieden. Zij oefenen uiteenlopende beroepen uit. Het gildebestuur bestaat uit een deken en zorgers. Lodewijk van Gruuthuse (+1492), lid van de Orde van het Gulden Vlies, raadsheer van Karel de Stoute en Maria van Bourgondie, belangrijke mecenas en bibliofiel, wordt in 1462 als deken vermeld. De gilde heeft een nauwe band met het officie van de beurdenaars. Deze beroepsvereniging bestaat uit kleine visverkopers die in een mand of ‘beurde’ vis aanbrengen en verkopen. Vanaf de Ezelpoort trekken ze door de Ezelstraat voorbij het passantenhuis naar de Markt. Dit verklaart wellicht de oorsprong van hun relatie met Sint-Joos. Van bij hun ontstaan, in het begin van de 15de eeuw, is het gezelschap in Sint-Joos gevestigd. Hun religieuze diensten vinden er plaats. Alle beurdenaars zijn lid van de Sint-Joosgilde en zijn vertegenwoordigd in het bestuur. Een bijdrage wordt aan de gilde afgestaan voor de werking van het passantenhuis.
Vanaf de beginperiode in de Ezelstraat, tegen het einde van de 14de eeuw, wordt het gasthuis door talrijke schenkingen van de gildeleden uitgebouwd. Sint-Joos verwerft aldus verschillende huizen. Een 15de eeuws nog bewaard register bevat een schat aan informatie over de belangrijke bouwcampagnes, de aankoop van heel wat kunstwerken en inboedel. Het betreft vooral de periode rond 1449, toen de kapel werd ingewijd en die tussen 1454 en 1460, toen het portaal en de nieuwe gastenkamer werden gebouwd.
Jan VII Chevrot, bisschop van Doornik geeft op 11 juli 1449 aan Willem, bisschop van Sarepta, de toestemming de kapel te wijden. De wijding wordt op 20 juli voltrokken. Een kapelaan is zeker vanaf de tweede helft van de 15de eeuw aan het godshuis verbonden. Dagelijks wordt de mis opgedragen. De dienst voor de overleden gildebroeders en zusters wordt wellicht in de kapel verzorgd. Het bestaan van een vroegere gebedsruimte is niet bekend.

De Sint-Jooskapel

De kapel, uit baksteen opgetrokken, heeft vandaag haar gotische opbouw en indeling nog volledig bewaard. De ruimte heeft een eenvoudig rechthoekig grondplan en bestaat uit twee delen. De voorkapel, vlak afgedekt, is van het koor gescheiden door een muur.?Deze koormuur is doorgebroken door een grote spitsboogvorminge opening. Het kleinere koor, waarin zich het hoofdaltaar bevond dat toegewijd was aan – hoe kan het anders – de heilige Joos, is iets hoger gelegen en heeft een tongewelf. Links en rechts tegen de koormuur, aan de kant van de voorkapel stonden het eveneens verdwenen Onze-Lieve-Vrouw-altaar en het Heilig Kruisaltaar. Vijf segmentboogvormige vensters in de zijde aan de straatkant verlichten de ruimte. Deze barokke doorbrekingen dateren van 1710-1711, de periode dat het godshuis verbouwd en heringericht werd. In de gevel langs de tuinkant zijn vijf dichtgemetselde spitsboogramen nog duidelijk zichtbaar. De houten afsluitingswand tussen de kapel en doorgang naar de woningen is eveneens uit het begin van de 18de eeuw. Fragmenten van een niet-figuratieve gotische beschildering zijn de restauratiewerken in 1927 opgemerkt maar weer overschilderd.
Op 6 mei 1454 wordt de eerste steen gelegd van de ‘nieuwe’ werken langs de straat het portaal wordt gebouwd, het gastenkwartier opgetrokken of heel grondig verbouwd. Een oudere gasten-‘camere’ bestond met zekerheid. De toegangspoort, een geprofileerde spitsboog, is, nog steeds volgens hetzelfde 15de eeuwse gilderegister, van houten maaswerk en van een deurnaald voorzien. Op de nog originele 15de eeuwse makelaar staat onder een baldakijntje het beeld van Sint-Joos, patroon van de stichting en beschermheilige van de pelgrims.
De heilige draagt de pelgrimsmantel, hoed, reistas en staf. In de rechterhand houdt hij een open boek vast. Aan de linkerarm hangt een kroon, als symbool van de verwerping van het aardse koningschap. Een gedeelte van de linkerarm en pelgrimsstok zijn nieuw. Tegen de sokkel waarop de heilige staat, is het schild van Joos de Bul (+1488) aangebracht. Deze bekende poorter en gildelid is een van de voornaamste mecenassen van het godshuis geweest. Het gedeelde wapen heeft rechts drie Sint-Jacobsschelpen, een verwijzing naar Sint-Joos en links het wapen van Engeland, drie leeuwen. Voor de loyauteit betoond aan de koning van Engeland, Edward IV (+1483), toen de vorst in 1471 in ballingschap in Brugge verbleef, mocht De Bul voortaan het Engelse wapen in zijn schild voeren.

Het woonhuis heeft vandaag nog steeds zijn middeleeuwse structuur en uitzicht behouden. Slechts in de 17de eeuw brengt men kleine veranderingen aan. Daarom is dit huis, mede door zijn oorspronkelijke functie, zo bijzonder en geldt als een belangrijke getuige van het 15de eeuwse Brugge. Het huis heeft een verdieping. De gevel, in baksteen, telt drie traveeen. De kruisvensters zijn in nissen gevat en bovenaan met de lateien van de bovenvensters afgesloten. De boogvelden boven de benedenvensters zijn versierd met een driepas. De dakkapel met luikopening is in een korfboognis gevat. De afwerking van het interieur valt tussen 1458-1460.
De gastenkamer bevond zich heel waarschijnlijk op de benedenverdieping en werd door drie ramen verlicht. Hiervoor werden wellicht zes glasramen geschonken. Ook bedden en beddegoed werden met giften verworven. Zeven beddekoetsen met hemel worden in 1458 opgesteld. Het gasthuis verwerft ook verschillende platte koetsen, evenals lakens, geborduurd met wapenschild, hoofdkussens, slopen en een gift van twee bedspreien in tapijtwerk, versierd met het wapen van bekend donateur Joos de Bul. De schilder Jan Hughezone maakt in 1460 een paneel, de Kruisiging voorstellend. De capaciteit van het gasthuis bedraagt wellicht een elftal personen. De passant vindt vanaf 1460 in Sint-Joos een gedegen onderdak, meestal voor een nacht. Een maaltijd is niet voorzien. Bij de huisbewaarder kunnen wel, tegen betaling, drank, kaarsen en brandstof verkregen worden.
Talrijke schenkingen verrijken in de tweede helft van de 15de eeuw de pas opgerichte kapel. In het jaar van de wijding wordt een beeld van Sint-Joos geschonken, bestemd om boven het hoogaltaar te staan. Twee koperen kandelaars zullen de heilige flankeren. Joos de Bul laat op het kooraltaar een schilderij met de Geboorte van Christus plaatsen. Hij schenkt ondermeer een volledig stel liturgische gewaden waarop zijn wapen en een altaarkleed in tapijtwerk.
Een kruisigingstafereel wordt bestemd voor het Heilig Kruisaltaar. De kapel wordt in 1451-1452 voorzien van een preekstoel en banken. In 1460 wordt Jan Hughezone, de reeds vemelde schilder, betaald om een tafereel voor het Onze-Lieve-Vrouwe-altaar te maken. Vier reliekhouders uit zilver en kristal, drie kelken, twee zilveren ampullen, twee kruisen en een paxtafel worden in het register vermeld. Als textilia komen pelders of baarkleden, nodig voor de begrafenisplechtigheden van de gildeleden voor, alsook vanen en altaardoeken. Vier lange geborduurde en gevoerde overklederen zijn voor de lijkdragers bestemd. Er wordt betaald om een doek met hoogstwaarschijnlijk het passieverhaal te schilderen. Er worden ook antependia, of voorhangsels voor een altaartafel, vermeld.
Joos de Bul ligt samen met zijn vrouw, Catharina de Backere, in het koor begraven. De grafsteen is nog steeds bewaard. Zijn wapen is erop afgebeeld. Door zijn gastvrijheid betoond aan koning Edward IV van Engeland verkreeg hij naast het wapen van Engeland de ordeketting van de Witte Leeuw. Een koperen kopie van dit halssnoer versierd met de emblemen van het huis van York is oorspronkelijk ingelegd in de grafsteen. Dit inlegwerk bevindt zich nu in de OCMW-kunstcollectie.
Tegen het einde van de 16de eeuw wordt het passantenhuis, dat de armen van de gilde van de manddragers reeds in de 15de eeuw wellicht een onderkomen gaf, omgevormd tot een bejaardentehuis. Door verschillende fundaties, maar vooral door de stichting van Joos Lambrecht (+1593), kannunik van de verdwenen Sint-Donaaskathedraal, krijgt Sint-Joos een andere bestemming. Hij sticht een godshuis voor twaalf bejaarde mannen behorend tot de ambachtsklasse en een vrouw, die moet instaan voor het onderhoud van de bewoners. Een dertiende ‘verweecte manspersoon’, een plaats gecreeerd door een andere en iets vroegere fundatie, wordt ook in deze stichting opgenomen.
De definitieve fundatiebrief is in 1585 opgesteld. Uit het groot aantal voorschriften dat de schenker hieraan heeft verbonden blijkt ondermeer dat de Sint-Joosgilde en de gilde van de beurdenaars nauw betrokken blijven bij de keuze van de bewoners. Hun gildegeld komt het godshuis toe. Na de dood van de kanunnik zijn zij bij het beheer betrokken door ondermeer het horen of controleren van de rekeningen. Nog in de 18de eeuw is een van de drie voogden de deken van de manddragers. Lambrecht heeft bepaald dat de mannen ouder dan vijftig jaar moeten zijn en de vrouw niet jonger dan vijfenveertig mag zijn. Zij worden in hun onderhoud voorzien door gratis inwoning en het ontvangen van maandgeld, een middagmaal, licht en verwarming in de winter. Zo mogelijk is een van de dertien mannen een verarmd priester, die als kapelaan zal zorgen voor het toedienen van de sacramenten, de uitvaart en de voetwassing. In 1613 is er reeds plaats voor achttien mensen. Dit aantal zal ongeveer gelijk blijven.
Joos Lambrecht is volgens zijn laatste wens in de kapel begraven. Het koperen inlegwerk van zijn zerksteen is nog in situ bewaard. Het stelt de milde schenker voor in priestergewaad. In de hoeken, in vier lobben gevat, bevinden zich de symbolen van de evangelisten. In het midden links komen zijn initialen voor, rechts zijn wapen. In de rechter koormuur is een mooie albasten gedenksteen in renaissancestijl aangebracht. Het is een herinnering aan zijn fundatie en stelt tevens de voetwassing van de apostelen voor. Dit christelijke gebruik heeft kanunnik Lambrecht bestendigd. Volgens de vaste bepalingen door de weldoener opgesteld, wast op Witte Donderdag de kapelaan de voeten van de bewoners, die ook brood en wijn ontvangen. De ceremonie van de voetwassing gebeurde hoogstwaarschijnlijk reeds voor de gildeleden in 1450, bij de ingebruikname van de kapel.
Over het uitzicht van veertien aparte stenen kamers, die waarschijnlijk naar aanleiding van de stichting van Joos Lambrecht zijn gebouwd, is verder niets bekend dan hun vermelding in de fundatieakte. Hierin komen de kerk, kamers of cellen en dormters voor. Zijn deze dormters of slaapzalen nog bestemd voor passanten ? De ‘uppercamere’ of de ‘camer boven’, waar de akten worden bewaard, is de bovenruimte in de grote woning. Er is een ‘fermerie’ voor zieken, opgericht door de kanunnik en twee haarden waar de proveniers zich kunnen warmen. Er is sprake van een ‘cruuthof, den hove en tlant dat men placht te bepoten met boonen en erwten liggende achter ‘t bleeckhof’. Door de toename van het aantal bewoners worden de bestaande gebouwen in het begin van de 17de eeuw uitgebreid met nog vier cellen.
De statuten uit 1657, bestemd voor de enige vrouwelijke bewoonster, vermelden de ‘kapelle met saele’, dit is wellicht de vroegere gastenkamer, de ‘vierschare’ of ‘warmkamer’, een term die ook in de bescheiden van het godshuis Van Volden voorkomt en de gangen tussen beide dormters. Op de opperzolder wordt graan gestapeld.?Wellicht ter vervanging van oudere cellen worden in 1758-1760 naar plannen van Emmanuel van Speybroeck (+1787) veertien kamers gebouwd. Ze zijn gelegen aan weerszijden van een middengang, en leunen tegen de vroegere gastenwoning aan.
Op een kleinere binnenkoer zijn nog vier kamertjes en de ‘warmkamer’, door dezelfde architect opgetrokken, gedeeltelijk bewaard gebleven in de huidige constructie.
De kapel wordt in 1662 verfraaid met een nieuw Onze-Lieve-Vrouwe-altaar geleverd door Rycquaert Brouckman, schrijnwerker. Het altaar moest zijn zoals het Sint-Anna-altaar in de Sint-Jacobskerk, met het beeld van Onze-Lieve-Vrouw in een nis en een gesneden lijst waarin het altaarschilderij wordt geplaatst.
In het begin van de 18de eeuw, vooral in de rekeningen van 1711, komen betalingen voor van een grondige verbouwing van de kapel en de ‘nieuwe’ kamer, wellicht de herinrichting van de vroegere gastenkamer. Een nieuwe klokketorentje is op het kapeldak geplaatst en geschilderd. De weerhaan en delen van het kruis worden verguld. In 1712 wordt de nog bestaande barokke afsluiting tussen de kapel en de doorgang naar de huisjes geleverd. Dezelfde timmerman voorziet de grote schouw op de benedenverdieping van de passantenwoning van een bekleding. Schouw met bekleding zijn nog aanwezig. Het schilderij hiervoor besteld is echter verdwenen. Ook worden twaalf stoelen voor deze ruimte gekocht. In 1713-1714 worden vijf wapens op de nieuwe vensters in de kapel geschilderd en voorzien van koperen traliewerk ter bescherming.
Een nieuw altaar wordt bij Jacob de Schyldere besteld. Bij de weduwe van Anthone Gloribus wordt het altaarschilderij, dat de pestheilige Rochus afbeeldt, aangekocht. Altaar en wapens zijn ondertussen verdwenen. In 1754-1758 wordt de zoldering geplafonneerd.
Met de overname van het godshuis door de CBG verblijven verder achttien bejaarde mannen in Sint-Joos. Het leven gaat er zoals altijd gewoon verder. Het reglement van 1666 wordt herdrukt. Een echtpaar staat in voor het onderhoud; allen krijgen verder een uitkering. Een priester, nu aalmoezenier geheten, wordt opnieuw benoemd. Doch op het einde van de 19de eeuw is de kapel stilaan tot stapelplaats vervallen. Meer en meer cellen raken onbewoond. Pas met de sanering van 1928 verbetert de situatie aanzienlijk. De veertien cellen werden tot vier huisjes verbouwd. Hun grote zolder is in afzonderlijke, kleine ruimten verdeeld. De woningen zullen vanaf nu tegen een lage prijs verhuurd worden aan bejaarde echtparen.
Tegen de grote woning wordt in 1928 een bijgebouwtje opgetrokken en van een binnenkoer voorzien. Hiervoor worden een cel en doorgang afgebroken. Het vroegere passantenhuis blijft tot portierswoning bestemd. Aan de kapel worden enkele herstellingswerken uitgevoerd.
In 1955 ontstaan aan de andere zijde van de binnentuin nog vijf huisjes. Twee jaar later krijgen de 15de eeuwse gebouwen een grondige gevelrestauratie. De traditionele witte kalklaag wordt weggenomen. De toegangspoort wordt grotendeels vernieuwd. Door de samenwerking tussen het stadsbestuur, het OCMW en de vzw Oecumene-Brugge is de kapel onlangs gerestaureerd en heeft na jarenlange leegstand haar eeuwenoude rol weer opgenomen : vanaf 1992 is de kapel opnieuw voor de eredienst opengesteld.
In de zomer van 1994 werd de grondige restauratie van de zes oudste huisjes voltooid. Ze werden tot vijf woningen omgevormd. De zeldzame binnenconstructie met bakstenen gewelven blijft als getuige van de 18de eeuwse bouw bewaard.