|
Wanneer men een orthodox kerkgebouw binnentreedt wordt men dadelijk getroffen
door de aanwezigheid van vele iconen en vooral door de iconostase of iconenwand
die het heiligdom van het schip van de kerk afscheidt. Van zodra een orthodox
gelovige de kerk binnentreedt wendt hij zich naar de centraal ter verering
geplaatste iconen om ze te kussen en ervoor te bidden. Meestal zal hij
er ook een kaars bij aansteken. Bij iedere liturgische dienst zal de priester
of diaken menigmaal de iconen bewieroken.
Komt men in een huis van een orthodox gelovige binnen dan merkt men in
de huiskamer aan de wand - als het kan in een hoek naar het Oosten gericht
- verschillende iconen op en zeker de Christus-icoon en de icoon van de
Moeder Gods. Ook in de werk- of studeerkamer en in de slaapkamers heeft
de icoon een voorbehouden plaats. Zelfs in de auto is zij aanwezig. Velen
nemen een zak-icoon mee op reis.
Men ziet het: iconen zijn onafscheidbaar verbonden met het spiritueel
leven van ieder orthodoxe christen.
En bij wijze van spirituele benadering wordt doorgans voor de icoon een
iconenlampje aangestoken.
2. Bizondere theologische
betekenis van de icoon
Voor de Orthodoxie heeft de icoon een bizondere theologische betekenis.
Zij is niet gelijk te stellen met de schilderijen en beelden uit de "religieuze
kunst" zoals wij er veel in de kathedralen en kerken van onze gewesten
kunnen vinden.
In de icoon wordt ons de voortdurende aanwezigheid van Christus en de
Heiligen geopenbaard en gemanifesteerd. Die openbaring brengt ons in de
"realiteit" die niet tot de wereld maar tot de dimensie van
de eeuwigheid behoort. Het echt menselijk leven kan niet afgescheiden
worden van zijn "eeuwige dimensie". De icoon onttrekt ons aan
het "vals levensbeeld" waarin wij dagelijks gedompeld worden
door onze gehechtheid aan het aardse.
Immers: God zelf, die onzichtbaar is, treedt op zichtbare wijze langs
de icoon in ons leven binnen. En ook de Heiligen manifesteren langs de
icoon hun aanwezigheid bij ons.
Wij staan dus heel ver van wat een gewone schilderij zou kunnen bijbrengen.
Wij staan ver van het kunstwerk dat bedoeld zou zijn om kerken of huizen
"religieus te versieren".
3. Korte Historiek
Alhoewel het schilderen van de eerste icoon volgens de traditie toegeschreven
wordt aan de Heilige Apostel en Evangelist Lucas - namelijk de Theotokos
of Moeder-Gods-icoon - toch vinden wij bij de eerste christenen slechts
afbeeldingen van symbolen van Egyptische en Hellenistische afkomst zoals
een druivengrap, een beker, vogels of een vis.
De eerste afbeelding die teruggevonden werd - namelijk de Moeder Gods
in gezelschap van een profeet - dateert uit de periode van de catacomben
(tweede eeuw).
Einde van de vierde eeuw wordt zowel in het Westen als in het Oosten de
afbeelding didactisch aangewend: de Ikonografie wordt aldus de Bijbel
van de armen. Naast de prediking wordt zij een uitdrukkingsmiddel van
de Traditie. Het Zevende Oecumenisch Concilie (Nicea 787) zegt trouwens:
"Dank zij de schilderkunst wordt in de afbeelding op stilzwijgende
wijze voor de ogen gebracht, hetgeen het woord naar de oren brengt".
Dit Zevende Oecumenisch Concilie is steeds voor de Orthodoxe Kerk heel
belangrijk gebleven. Het stelde met een duidelijke conciliaire verklaring
een einde aan de eerste iconoclastische strijd (730-780). Er werd een
duidelijk onderscheid gesteld tussen de "aanbidding" die alleen
aan God verschuldigd is en de "verering" die wij tot de heilige
beelden kunnen betuigen. Verering is de manifestatie van eerbetuiging,
respect en genegenheid.
In die tijd schreef de H. Johannes Damaskinos zijn werk "Ter verdediging
van de Heilige iconen", waarbij hij o.m. verduidelijkte dat in de
icoon ons geloof in de goddelijkheid van Christus uitgedrukt wordt alsmede
de heiligheid die uit deze goddelijkheid voortvloeit: deze van de Moeder
Gods en van de Heiligen.
Tenslotte kreeg de icoon een gans bizondere theologische betekenis na
een periode van dwalingen en ketterijen. De icoon is inderdaad een getuigenis
geworden van de incarnatie of menswording van Christus. Christus is immers
geen engel geworden maar een ECHTE MENS.
God mag en moet dus voorgesteld worden onder het menselijk voorkomen van
Jezus, tweede persoon van de H. Drieëenheid. Zo is het verboden God
de Vader voor te stellen, bv. als een grijsaard. Deze opvatting strookt
volledig met de H. Schrift: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader
gezien" (Joh. XIV,9).
In het Oud-Testament, dus vòòr de menswording van Christus,
werd uit schrik voor afgoderij iedere hemelse afbeelding gelimiteerd tot
de wereld van de engelen. "Gij zult u geen afbeelding maken
"
(Exodus XX,4). Na de menswording bevrijdt Christus de mensen van het gevaar
van afgoderij door "in Zijn persoon" de ware figuur van God
te openbaren en Zijn afbeelding mogelijk te maken.
En de H. Drieëenheid wordt steeds symbolisch voorgesteld, gebaseerd
op een tafereel uit het Oud-Testament: de Philoxenie van Abraham of het
bezoek van drie boodschappers (Gen. XVIII,1-15). Deze drie boodschappers
van God werden in de Ikonografie een symbool van het Mysterie van de Drieëenheid
dat voor ons onbegrijpelijk blijft.
4. De Mysterievolle wereld van de icoon
1) Specifieke eigenheid van de icoon
Er dient sterk onderlijnd te worden dat de icoon geen louter kunstvoorwerp
is, dat zich onder de verschillende stijlen van de schilderkunst zou situeren.
De icoon overtreft de kunst omdat ze als zodanig een eigen specifieke
waarde heeft.
Niets belet ons van de grote meesters van alle eeuwen te bewonderen en
er hoogtepunten van de kunst in te vinden. De icoon houdt zich hiervan
afzijdig zoals de Bijbel zich boven de wereldliteratuur en de wereldpoëzie
plaatst. De kortweg genaamde "kunst" zal altijd op formele wijze
volmaakter voorkomen dan de spirituele meesterwerken van de Ikonografen.
Want deze laatsten zoeken deze perfectie niet ! Excessen zouden als zodanig
zelfs de icoon kunnen schaden. Immers zij zouden als gevolg hebben dat
de "blik" van de aanschouwer zou afgeleid worden van haar werkelijke
boodschap: de benadering van het Mysterie. In dezelfde zin zou een overdreven
vergezochte poëzie schadelijk zijn voor de "kracht" van
het Bijbels Woord.
De "inhoud" van de icoon primeert over de "vorm" ervan
en maakt deze ondergeschikt aan haar symbolisme.
2) Geen portret
De icoon is geen portret van Christus en van de Heiligen in die zin dat
zij zou moeten gelijken op hun vroegere fysische menselijke persoon of
dat ze hen uitbeeldt zoals zij eens fysisch zichtbaar waren. De icoon
is geen herinnering of souvenir !
Het "mirakel" van de icoon bevindt zich in de "hypostatische"
gelijkenis. Dit legt de menigte van verschillende composities uit, omdat
zij precies niet tot de portretkunst behoort.
De Kerkvaders waarschuwen: een icoon aanschouwen om er een "identiteit"
in de zoeken, "substantieel" volgens de natuur, is haar vernietigen.
Het zou haar aanwezigheid "afwezig" stellen.
"De icoon is de vorm van dingen die geen vorm hebben" zegt Prof.
Olivier Clément. En hij voegt eraan toe: "Le seul visage qui
ne vieillit jamais c'est celui de l'Icône" (het enig aangezicht
dat nooit veroudert is dit van de icoon). Inderdaad wij staan t.o.v. de
icoon noch in het verleden, noch in de toekomst maar t.o.v. de "aanwezige"
die ons in schoonheid naar het onzichtbare brengt. Het gaat dus niet om
de afbeelding omwille van de afbeelding. Zelfs niet om de beschrijving
of artistieke uitbeelding van een bepaalde subjectieve staat. De gepurificeerde
gezichten worden ons zonder enig werelds tafereel vertoond. In een geest
van onthechting brengen zij ons tot de stilte. En langs de stilte brengt
de icoon ons tot een objectief contact met het Goddelijk Licht. Zij is
dus nooit een portret, doch een weg die het zichtbare transcendeert of
duidelijker gezegd een openbaring, een manifestatie van het "geheiligde",
een "hierophanie".
De Heilige Dyonisios de Aeropagiet zegt ons: "De afbeelding is slechts
een kopie van het onzichtbare. Maar de contemplatie van het zichtbare
kan ons verheffen tot de Goddelijke contemplatie".
3) Geen symbool of hulpmiddel
Dikwijls werd ter verdediging van de icoon voorgehouden dat zij een "middel"
zou zijn om ons langs het gevoelige naar het begrijpelijke te brengen,
om van de menselijke dimensie naar de goddelijke dimensie over te gaan.
Hierop replicerend verwijzen wij graag naar het dogma van de "dubbele
natuur van Christus", dat bij het Concilie van Chalcedon (451) afgekondigd
werd: "waarlijk God en waarlijk mens". De mensheid van Christus
is geen middel om naar Zijn goddelijkheid te komen. In de densiteit zelf
van het menselijke, van het materiële, doorschittert het Licht !
Het materiële is geen middel om naar het spirituele over te gaan.
Het Licht doorschittert en transfigureert. "Wie Mij gezien heeft,
heeft de Vader gezien", zegt Christus (Joh. XIV, 9).
Zo is ook de icoon geen symbool of hulpmiddel: in de densiteit zelf van
het materiële, het hout, schittert het licht van een persoonlijke
aanwezigheid door.
"Wat het Evangelie ons door het woord zegt, verkondigt de icoon ons
door kleuren en brengt zij ons in Zijn aanwezigheid" (Paul Evdokimov
- "L'Art de l'Icône - Théologie de la beauté"
Desclée-De Brouwer, 1970, p. 154).
"En God, altijd verborgen in Zijn essentie, vermenigvuldigt zich
in Zijn manifestaties van Energieën en van Licht om de mens te doordringen
van Zijn brandende nabijheid. Daarom speelt de Transfiguratie van de Heer,
de meest bliksemende manifestatie van Zijn Licht, een zo grote rol in
het mystieke leven van de Orthodoxie" (Paul Evdokimov - id. p. 157).
4) Geïntegreerd in het Liturgisch Mysterie
De architecturale vormen van een kerk, de fresken en de iconen zijn niet
gewoonweg ter bewondering samengebracht als voorwerpen van een museum
! Zoals de ledematen van een lichaam "leven" zij, zijn zij geïntegreerd
in het liturgisch Mysterie.
De experiëntie van de icoon is een liturgische experiëntie.
Prof. Olivier Clément (van het Orthodox Theologisch Instituut St
Serge te Parijs) zegt het op kernachtige wijze: "Het spirituele wezen
van de icoon is de spiritualisering van de zintuigen
de kunst van
de lichamelijke vormgeving". Inderdaad: de icoon heiligt het zintuig
van ons gezicht en brengt ons reeds een "vage ervaring", een
"ontluiking" van het uniek aangezicht van het "Koninkrijk".
Wij staan hier volop in tegenstelling met de tendens van de Westerse christenheid
waar Godsbeleving, geloof en godsdienst vaak herleid worden tot iets intellectueels,
waarbij alleen beroep gedaan wordt op de "rede". De zintuigen
worden niet meer aangesproken. In de Orthodoxie neemt het liturgisch gebeuren
"de mens in zijn totaliteit" op. Niet alleen in zijn rede of
intellect. Ook in zijn zintuigen. Zo is de totale mens trouwens.
Er is geen orthodoxe kerk denkbaar zonder vele iconen die Christus, de
Moeder Gods en vele Heiligen aanwezig stellen. Langs deze iconen treden
wij binnen in de wereld van "goddelijke dingen". Langs deze
iconen maken God en de Heiligen hun bestaan (nu nog !) kenbaar, mededeelbaar.
Wanneer wij een orthodoxe kerk binnentreden komen wij meteen te staan
in een wereld vol "aangezichten". En de gelovigen - zij ook
- zijn als geschapenen naar Gods beeld en gelijkenis (Genesis) "levende
iconen" van God. Zo zal de priester of diaken tijdens iedere liturgische
dienst de iconen van Christus, van de Moeder Gods en van de Heiligen bewieroken,
hierdoor hun aanwezig gestelde prototypen vererend, en vervolgens de aanwezige
gelovigen.
5. Aanwezigstelling: sacramenteel
karakter
In feite worden "door de icoon" God en de Heiligen AANWEZIG
gesteld aan onze zintuigen.
Jezus zegt ons: "waar twee of drie in mijn naam verenigd zijn ben
ik in uw midden" (Mat. XVIII,20). God is steeds aanwezig. Door de
icoon echter manifesteert Hij Zijn aanwezigheid, wordt de Onzichtbare
"zichtbaar", voelen wij Hem dicht bij ons.
Ook voor de Heiligen is dit zo, en in de eerste plaats voor de Moeder
Gods. Immers: in de dimensie van de eeuwigheid leven zij verder. Hun "aards
leven" is geen eindpunt. Zij blijven ons omringen en zij bidden met
ons en voor ons. Ook zij "manifesteren" hun aanwezigheid in
de dimensie van de eeuwigheid "door de icoon".
Die "aanwezigheid" wordt ons duidelijk gesteld door verschillende
elementen uit de Ikonografie: door de BLIK die naar de aanschouwer, naar
ons dus, gericht is, en verder door het OMGEKEERD PERSPECTIEF. Vrijwillig
vertoont iedere icoon geometrische fouten: de voorstelling van een voetbankje,
een boek, een tafel of de troon van God. Langs de voorkant van het tafereel
zijn de afmetingen van het uitgebeelde kleiner dan in de diepte. De iconograaf
brengt dus "gewild" het omgekeerde van de "gewone normale
beeldvorming", van de "fotografische beeldvorming" naar
voren.
Welnu de aanwending van dit "omgekeerd perspectief" in de Ikonografie
wil duidelijk stellen dat het God en de Heiligen zijn die ons aankijken.
Vanuit hun gezichtspunt is dan het gebruikt perspectief juist en correct.
Zo heeft iedere iconograaf reeds in de "beeldvorming" de "theologische"
betekenis van de AANWEZIGHEID willen uitwerken.
Zoals reeds gezegd is het die AANWEZIGHEID die de icoon onderscheidt van
een tableau of schilderwerk. Elk louter artistiek werk situeert zich in
een gesloten driehoek: de kunstenaar, zijn werk, de aanschouwer. De icoon
- door haar sacramenteel karakter - doorbreekt deze driehoek door de verschijning
van een vierde element: de "aanwezigheid van de Transcenderende",
waarvan zij de manifestatie, de getuige is. Bij de icoon vaagt de kunstenaar
zich weg voor de traditie die hij uitdrukt. Het werk wordt een "theophanische
plaats", d.i. de plaats waar God zich manifesteert. De aanschouwer
maakt plaats voor de mens die neervalt in een houding van aanbidding en
gebed. Deze aanwezigheid is niet gelokaliseerd maar straalt uit als een
"energie" die uitgaat van de icoon. De plaats van de aanwezigheid
is niet de houten plank maar de mysterievolle gelijkenis die heel de icoon
uitstraalt.
Als een "geleidend beeld" brengt de icoon de blik van de aanschouwer
aan de overzijde van haarzelf. De aureolen of stralenkransen van Christus
en de Heiligen zijn de uitstraling van het "ongeschapen Licht"
waarin zij zich bevinden, zichtbaar gemaakt door de icoon.
Omwille van de sacramentele realiteit en rol van de icoon bereiden de
iconenschilders zich voor op hun "goddelijke kunst" en voeren
zij deze uit in gebed en ascese.
6. Enkele preciseringen
in verband met haar compositie
Het is duidelijk dat de Ikonografen of iconenschilders bij de realisatie
van een icoon rekening houden met tal van gegevens trouw aan een ingewortelde
traditie.
De icoon vertoont nooit de natuur, zoals bv. de Vlaamse primitieven het
in hun religieuze kunst doen. In plaats van een landschap suggereert zij
een schematische aanwezigheid van de kosmos bij middel van geometrische
vormen, namelijk steile opeengeplaatste trapvormige delen van een rots
die zich hoog uitstrekt. Die vormen hebben op zichzelf geen waarde, zij
"volgen" en "omringen" de uitgebeelde personages en
tonen aldus de onderwerping van het materiële plan aan de menselijke
geest. De gouden lijnen zijn als doordringende stralen van het Goddelijk
Licht die de lichamen "spiritualiseren".
De derde dimensie wordt uitgesloten. Er wordt geen "licht-donker-effect"
gebruikt, noch de kunstmatige diepte. Een gouden achtergrond, het ongeschapen
Licht symboliserend vervangt deze.
De personages komen diegenen tegemoet of aanschouwen diegenen die henzelf
aanschouwen. Alles is gedomineerd door het "aangezicht" en gecentreerd
door de "blik". De tegemoetkoming vanuit de icoon zelf wordt
nog geaccentueerd - zoals reeds hoger gezegd - door het "omgekeerd
perspectief". De frontale positie van aangezicht tot aangezicht doet
de blik in de ogen van de "gelovige aanschouwer" neerkomen en
verwezenlijkt een "communio" en brengt tot een "innerlijke
vrede". Bij de aanschouwing van een icoon vallen éénzaamheid,
ongerustheid, zorg, angst en gejaagdheid weg.
De schitterende en uitjubelende kleuren komen in de icoon tot de hoogste
vervoering in een breed kleurengamma. Zij treffen en verbazen ons door
hun vrolijke densiteit. Het goud van de zon of het zenit, de Transcenderende
Zon, doordringt alles, komt neer op alle dingen van deze wereld en geeft
zin aan alles.
7. De icoon t.o.v. de Eucharistie
Tot slot van deze beschouwingen dient onderlijnd dat de theologie van
de icoon niet mag verward worden met de theologie van de Eucharistie.
In de Eucharistie worden wij consubstantieel met Christus verenigd: wij
beleven er het "Mysterie van de éénheid".
In de icoon ontmoeten wij een persoonlijke gelijkenis. Wij staan tegenover
het "Mysterie van openbaring van een aanwezigheid".
Heerlijk is de dubbele goddelijke benadering, waar beide Mysteries mekaar
aanvullen, wanneer gecommuniceerd wordt ten overstaan van de Christus-icoon,
van aangezicht tot aangezicht ! Innig verenigd in de Communio staan wij
dan t.o.v. het Licht van de getransfigureerde Christus.
|